Juridische vraagbaak, vraag van de maand

Vraag: moet de toelage voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden aan ieder raadslid worden uitbetaald? 

Toelichting vraag:

Een raadslid vraagt via de griffie of deze in december een extra toelage krijgt voor het treffen van een verzekering of pensioenvoorziening. En zo ja, op welke wijze dit bedrag dan wordt overgemaakt.

Antwoord

Ja, dat is sinds 16 december 2024 centraal geregeld via het Rechtspositiebesluit. Ieder raadslid dat nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, ontvangt per jaar ten laste van de gemeente een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van de werkzaamheden voor één maand, waarmee hij voorzieningen kan treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Dat is geregeld in artikel 3.1.9 van het Rechtspositiebesluit. 

Tot 16 december 2024 bood het Rechtspositiebesluit de mogelijkheid dat gemeenteraden via een lokale rechtspositieverordening regelden dat volksvertegenwoordigers eenmaal per jaar een bedrag zouden ontvangen ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden voor een maand, waarmee zij voorzieningen konden treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Uit een evaluatie van het Rechtspositiebesluit kwam naar voren dat deze verordenende bevoegdheid in de praktijk leidt tot een ongewenste politieke discussie en beeldvorming (een “13e maand”) die een inhoudelijke discussie hierover in de weg staat.

Daarom heeft de minister van BZK bij besluit van 16 december 2024 gekozen voor een centrale, voor alle betrokken volksvertegenwoordigers geldende regeling, met dien verstande dat degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Doordat de “13e maand” nu via het landelijke Rechtspositiebesluit is geregeld, is het ook geen keuze meer en kan er ook niet op individuele basis gedifferentieerd worden. 

De formulering “eenmaal per jaar” is veranderd in “per jaar”. Dit heeft de minister gedaan omdat uit de praktijk de wens naar voren kwam navorderingen zoveel mogelijk te willen vermijden. Met deze formulering wordt de keuze om het bedrag in zijn geheel of in maandelijkse termijnen uit te betalen aan het overheidsorgaan gelaten, terwijl de aanspraak op jaarlijks een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden voor een maand, hetzelfde blijft.

 

De minister heeft in de circulaire van 27 maart 2025 nogmaals expliciet benadrukt dat de uitvoering van het rechtspositiebesluit geen verantwoordelijkheid van de raad is. De uitvoering van het rechtspositiebesluit is namelijk bij uitstek een zaak van het dagelijks bestuur. Daarmee zijn de uitbetaling van vergoedingen en het verstrekken van voorzieningen aan een ambtsdrager dus de verantwoordelijkheid van het college van B&W; binnen de centraal gestelde kaders van het rechtspositiebesluit.

Eventuele vragen van raadsleden over de uitbetaling van deze voorzieningen, kunnen dus worden doorgeleid naar – bijvoorbeeld – de salarisadministratie. De juridische vraagbaak adviseert griffiers om bij de salarisadministratie na te vragen Ăłf deze landelijk geregelde toelage ook daadwerkelijk wordt uitbetaald aan raadsleden en of de administratie daarbij ook rekening houdt met de uitzondering met betrekking tot die raadsleden die de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt.Â