Column Douwe Jan Elzinga: alle politieke bestuurders moeten na 8 jaar opstappen

Bestuurders gaan - net als slagers - op den duur op hun varkens lijken

In juni 2020 overleed Pierre Nkurunziza, de zeer omstreden president van Burundi. Na twee regeerperiodes forceerde hij in 2015 een derde regeringstermijn, hoewel dat in flagrante strijd was met de Grondwet van dit Afrikaanse land. Ook Vladimir Poetin orkestreerde een vorm van machtsbehoud die in feite niet in overeenstemming was met de Russische constitutie. Na twee regeringsperiodes in 2008 eventjes premier in plaats van president - zijn politieke maat Dmitri Medvedev mocht als schijnpresident optreden - en daarna in 2012 weer vol verder als president.

Het afstand doen van politieke macht gaat van au en leidt ook tot blikvernauwing. En dat is niet alleen het geval in landen met een twijfelachtige democratische cultuur. Overal ter wereld wordt geworsteld met het zogenaamde periodiciteitsbeginsel. Dat is het uitgangspunt dat aan politieke bestuurders weliswaar veel invloed en macht kan worden gegeven, maar de tijdelijkheid daarvan moet er voor zorgen dat die machtsuitoefening niet ontaardt. Aan dat cruciale periodiciteitsbeginsel wordt in democratische verbanden op allerlei manier vorm en inhoud gegeven. In veel landen - vooral die met presidentiële stelsels - is vastgelegd dat het na twee regeringsperiodes welletjes is en een hernieuwde derde kandidatuur is uitgesloten. Dat werkt overwegend goed, maar ook daar kruipt het politieke bloed dus soms waar het niet kan gaan.

In andere landen kunnen bestuurders ten allen tijde door meerderheden van volksvertegenwoordigingen tot ontslag worden gedwongen. En uiteraard is ook het periodieke verkiezingsmechanisme een mogelijkheid om van bestuurders af te komen. In ons land is er geen maximering van bestuursperiodes. Bewindslieden, gedeputeerden, wethouders, burgemeesters en CdK’s kunnen in beginsel lange tijd aanblijven. Via het opzeggen van vertrouwen en door verkiezingen kan aan hun bestuursactiviteit een einde worden gemaakt. Het zou echter goed zijn nog eens na te denken over een aanvullende maximering in de tijd. Bijvoorbeeld maximaal acht jaar voor alle bestuurders en twaalf jaar voor burgemeesters en CdK’s vanwege hun zesjarige ambtstermijn. En de belangrijkste reden daarvoor is dat na globaal acht jaar bij vele bestuurders niet alleen de rek er wel zo ongeveer uit is, er sleet komt op de werkwijze, maar vooral dat het beeld van de werkelijkheid minder scherp is geworden en er een neiging bestaat om te veel in de eigen zin en onzin te gaan geloven.

Het aloude adagium ‘macht corrumpeert’ doet zich dan niet steeds voor in daadwerkelijke corruptie maar wel in een minder kritische omgeving, het minder bevattelijk zijn voor kritiek van buiten en het vasthouden aan werkwijzen en patronen die uit de tijd zijn gelopen. Lang zittende bestuurders worden veelal omgeven door uitgezochte ‘getrouwen’. Zoals slagers op den duur een beetje op hun varkens gaan lijken, vereenzelvigen ook lang zittende bestuurders zich met werkwijzen en gedrag die in veel gevallen niet meer passen bij de veranderde omstandigheden. En tegen de tijd dat mogelijk het einde van de politieke macht in zicht kan komen, ontstaat er nog meer blikvernauwing en paladijnengedrag. De meest in het oog springende voorbeelden zijn hier Lubbers, Kok en nu Rutte, maar ook op decentraal niveau zijn hier tal van voorbeelden te noemen. Het zou de Nederlandse democratie zeer ten goede komen indien aan dit verschijnsel een einde wordt gemaakt.

Kortom: op naar maximaal acht tot twaalf jaar voor alle Nederlandse politieke bestuurders. Een mooie uitdaging voor de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken.   

Douwe Jan Elzinga is hoogleraar Constitutioneel Organisatierecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.