Vraag: ontheffing van vereiste van ingezetenschap wethouder
Onze gemeente heeft een wethouder die niet in de gemeente woonachtig is. Naar verwachting zal deze wethouder na ommekomst van het eerste jaar wethouderschap nog niet verhuisd zijn. Wie is nu de eerst aangewezene om een raadsvoorstel voor ontheffing te schrijven en dus ook in de raad te verdedigen? Het college, de fractie die hem als wethouder heeft voorgedragen of de formateur van de coalitie?
Antwoord
Volgens de gemeente X is op dit gebied niets anders voorgeschreven, dan dat de raad een besluit neemt. Hoe dit tot stand komt is vormvrij (al heeft het college wel een voorbereidende bevoegdheid).
Voorstel van het presidium
Naar de mening van de griffier in Den Haag zou een voorstel tot
ontheffing van het vereiste van ingezetenschap van een wethouder
onder verantwoordlijkheid van het presidium moeten worden
opgesteld. In de raad zou een dergelijk voorstel dus ook door het
presidium moeten worden verdedigd. Dit is althans de praktijk in
Den Haag, waar de griffie al diverse keren met dit fenomeen te
maken heeft gehad.
De gedachte hierachter is dat waar het hier een uitdrukkelijke
raadsbevoegdheid betreft, het presidium tot taak heeft dergelijke
raadsbesluiten voor te bereiden en voor zijn verantwoording te
nemen. Bij de voorbereiding van een dergelijk besluit kan het
presidium rekening houden met eventuele eerdere raadsuitspraken
omtrent de wenselijkheid of onwenselijkheid van het verlenen van
ontheffing. Een en ander neemt natuurlijk niet weg dat tijdens het
raadsdebat ook aan anderen dan leden van het presidium vragen ter
toelichting of anderszins kunnen worden gesteld, waarbij met name
kan worden gedacht aan de fractie die de betreffende
wethouderskandidaat naar voren heeft geschoven.
Voorstel van het college
De griffier uit Weert geeft aan dat de Eerste Kamer op 13 maart
2007 het kabinetsvoorstel aanvaardde tot wijziging van het
woonplaatsvereiste voor wethouders. In de praktijk blijken
tientallen wethouders niet in hun gemeente te wonen en ook geen
ontheffing te hebben. Om aan deze gedoogsituatie een einde te
maken, wordt gemeenteraden de mogelijkheid gegeven elk jaar opnieuw
een ontheffing te verlenen. Uitgangspunt blijft dat de wethouder
woont in de gemeente waar hij of zij werkt. Maar er kunnen
omstandigheden zijn die nopen tot ontheffing van het
woonplaatsvereiste. Het formuleren van die bijzondere
omstandigheden wordt overgelaten aan de individuele gemeenteraden.
De raad beslist dus over het verlenen van een ontheffing van het
woonplaatsvereiste van wethouders.
Dan blijft natuurlijk de vraag wie het raadsvoorstel in procedure
moet brengen. Aangezien het hier om een wethouder gaat, lijkt de
aangewezen weg om het voorstel door het college te laten doen. De
fase van formatie en voordracht is immers allang voorbij, het gaat
nu om een lid van het college. Het college zal hem niet vanwege het
niet voldoen aan het woonplaatsvereiste willen kwijtraken. Het is
in eerste instantie dus een collegebelang.
Conclusie
Conclusie is dat er meer mogelijkheden zijn. Er zijn argumenten die
pleiten voor een voorstel van het college (zie bijdrage Weert) en
er zijn argumenten die pleiten voor een voorstel van het presidium
(zie bijdrage Den Haag). De Juridische Vraagbaak van de Vereniging
van Griffiers vindt die laatste wat minder sterk omdat de taak van
het presidium toch meer is voorstellen te doen en besluiten te
nemen die de ´huishouding´ van de raad betreffen. De bedoelde
ontheffing valt daarbuiten.