Vraag: geldigheid eed bij niet opsteken hand
Vraag:
Een raadslid wordt toegelaten tot de raad en vervolgens beedigd. Bij het afleggen van de eed steekt hij zijn hand en twee vingers niet op. Is de eed daamee ongeldig? En is daarmee ook geen raadslid? Moet de eed overnieuw gedaan worden?
Antwoord:
Degene die bij de eed de hand niet op de voorgeschreven wijze
opsteekt terwijl hij daartoe lichamelijk wel in staat is, heeft de
eed niet afgelegd zodat hij niet kan worden geïnstalleerd als lid
van de raad. Het moet dus over. Zie ook de 'Wet vorm van de
eed' (te vinden onder het kopje 'Zie ook').
Een kanttekening hierbij vormt de column van D.J. Elzinga in
Binnenlands Bestuur van 28-6-2010 naar aanleiding van een
ondeugdelijke eedaflegging in de raad van Almere (onder ‘Zie ook’).
Elzinga concludeert dat indien de afgelegde eed een vormgebrek
kent, maar geen materieel gebrek er geen enkele rechtsgrond is om
te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van besluiten die na de
betreffende eedaflegging zijn of zullen worden genomen. Het opnieuw
afleggen van de eed ligt volgens hem dan ook niet in de rede. Iets
anders is het wanneer in een bepaald geval sprake is van het
uitdrukkelijke oogmerk om af te wijken van de voorgeschreven
eedaflegging. Een uitspraak van de Raad van State uit 2002 laat aan
(raads)voorzitters geen ruimte om afwijkingen toe te staan.