Vraag: dragen ambtsketen door vervangende raadsvoorzitter
In het KB van 1852 staat dat de burgemeester het onderscheidingsteken onder meer draagt als hij voorzit in de raadsvergadering. Artikel 3 van dit KB luidt: Bij ontstentenis van den burgemeester worden de teekenen, in de bij het vorig artikel omschreven gevallen, gedragen door dengeen, die hem vervangt. De vraag komt hier op of, na de dualisering van het gemeentebestuur, de vervangende raadsvoorzitter wordt geacht de ambtsketen bij die raadsvergadering te dragen. Is hier nadien iets over vastgelegd door de minister of is het een kwestie van interpretatie van het oude KB?
Antwoord
Het KB van 16 november 1852 is nog steeds van kracht en is ook niet gewijzigd sinds de dualisering. Op de VNG-site wordt hierover het volgende opgemerkt: "De artikelen 2 en 3 van het betreffende KB maken geen onderscheid tussen de situatie waarbij bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester de waarnemer optreedt als raadsvoorzitter of als bestuursorgaan. In het besluit is echter geen rekening gehouden met het dualisme. Kernpunt is dat tijdens de raadsvergaderingen de plaatsvervangend voorzitter van de raad bij ontstentenis van de burgemeester het recht heeft de ambtsketen te dragen. In principe is het dragen van de ambtsketen verbonden aan het voorzitterschap van de raad".