Vraag: conflict werkgever raadslid
Hoe kan een raadslid het beste omgaan met een werkgever (bedrijfsleven) die problemen dreigt te maken over zijn raadslidmaatschap? Op welke regelgeving kan een raadslid zich in dit geval beroepen?
Antwoord
Art. 643, eerste lid van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek luidt
als volgt:
"De werknemer kan verlangen dat de werkgever hem verlof zonder
behoud van loon verleent voor het als lid bijwonen van
vergaderingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van
vertegenwoordigende organen van publiekrechtelijke lichamen die bij
rechtstreekse verkiezingen worden samengesteld, uitgezonderd echter
de Tweede Kamer der Staten-Generaal, alsmede van commissies uit
deze organen. Deze bepaling vindt mede toepassing op de werknemer
die deel uitmaakt van een met algemeen bestuur belast orgaan van
een waterschap".
Lid 2 van dit artikel regelt dat indien werkgever en werknemer ter
zake geen overeenstemming bereiken, de rechter kan vaststellen in
welke mate dit verlof moet worden verleend.
Voor werknemers in de particuliere sector geldt dus de hoofdregel
dat de arbeidsovereenkomst bij verkiezing tot raadslid gewoon in
stand blijft, maar dat de werkgever verplicht is verlof te verlenen
voor het bijwonen van vergaderingen van raad en commissies.
Voor ambtenaren gelden specifieke regels (art. 125c Ambtenarenwet
en art. 12c Militaire Ambtenarenwet 1931).