Vraag: Spreekrecht burgers
In de modelverordening van de VNG voor de
raadscommissies is het spreekrecht voor burgers geregeld in artikel
17. Daarin zijn ook de uitzonderingsgronden genoemd. Een van die
uitzonderingsgronden luidt: ‘Het woord kan niet gevoerd worden
over: a. een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en
beroep openstaat of heeft opengestaan.’ In het verleden is de VNG
wel eens gevraagd of een burger in mag spreken bij de behandeling
in de commissie/raad van een ontwerpbestemmingsplan. Dit was
volgens de VNG niet het geval omdat er een rechtsgang openstaat.
Het deed niet terzake dat de gemeenteraad nog geen besluit had
genomen, puur het feit dat er een rechtsgang openstaat blokkeert
het spreekrecht voor burgers. In de bestemmingsplanprocedure kunnen
burgers hun zienswijze kenbaar maken en uiteindelijk ook beroep
instellen bij de Raad van State. De conclusie was destijds dat de
uitzonderingsgrond in het tweede lid sub a geldt voor situaties
waarin er een rechtsgang open staat. Geldt deze uitleg nog
onverkort?
Antwoord:
Een modelverordening is maar een voorbeeld. Raad en Staten zijn
vrij hun eigen huishouding te regelen binnen de grenzen van de wet.
Er is geen regel in een wet in formele zin die het toestaan van
spreekrecht in vergaderingen van raad of Staten verbiedt. In
Hoogeveen bijvoorbeeld is er spreekrecht in de informerende en
meningvormende blokken van de raadsavond voor elk onderwerp dat op
de agenda staat. Dus ook als het gaat om vaststelling van een
bestemmingsplan zijn burgers welkom. Overigens doet Hoogeveen dat
niet in het besluitvormend blok. Meestal willen burgers die een
zienswijze hebben ingediend waarvan het college voorstelt die te
verwerpen nog wel iets zeggen. De raad neemt daar dan kennis van en
neemt vervolgens een besluit. Vroeger hanteerde Hoogeveen de
modelverordening wel en hadden burgers in dit soort zaken dus geen
spreekrecht. Wat de gemeente nu doet, bevalt beter.
Griffier H. Broekman van de gemeente Eersel wijst in dit verband
op de uitspraak van 15 september 2010, zaaknr. 200901515/1/R2
van de afdeling bestuursrechtspraak tegen het college van GS van
Zeeland. Deze luidt als volgt: [appellant sub 2 A] en
[appellant sub 2 B] hebben verzocht om in de commissievergadering
van 13 mei 2008 waarin het ontwerpplan was geagendeerd, gebruik te
mogen maken van het spreekrecht. Dit verzoek is afgewezen met
toepassing van artikel 17, tweede lid, onder a, van de Verordening,
op grond van de overweging dat tegen een besluit van het college
omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan rechtsmiddelen kunnen
worden aangewend. Het standpunt van de raad en het college dat dit
artikel mede betrekking heeft op nog te nemen besluiten waartegen
bezwaar of beroep zal openstaan deelt de Afdeling niet. Gelet op de
redactie van het artikel alsmede het doel van het spreekrecht, is
de Afdeling van oordeel dat dit artikel alleen van toepassing is op
besluiten die reeds zijn genomen. Naar het oordeel van de Afdeling
is [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] het spreekrecht ten
onrechte ontzegd.' Het betekent een aanpassing van de
gangbare interpretatie van de verordening.