Vraag: Geheimhouding en onderling overleg
Een Statenlid heeft een dossier waarop door GS
geheimhouding is opgelegd op grond van art 25 lid 2 Provinciewet,
identiek aan 25 lid 2 gemeentewet, ingezien en wil daarover graag
praten met andere woordvoerders, die het dossier ook hebben
ingezien. De griffie houdt bij welke Statenleden een vertrouwelijk
dossier hebben ingezien. Zij tekenen een formulier wanneer zij welk
dossier hebben ingezien. Het is dus vast te stellen wie kennis
genomen heeft van een vertrouwelijk dossier. Op vraag van het
Statenlid of hij met andere Statenleden, die blijkens register het
dossier ook hebben ingezien overleg mag plegen over het dossier heb
ik negatief geantwoord. Een strikte uitleg van de wet maakt de
vertrouwelijkheid van stukken, die ter inzage liggen een
individuele verplichting. En geeft geen ruimte voor een gesprek met
anderen, ook kennishebbend van het dossier.
Biedt de wet of jurisprudentie meer ruimte dan de strikte uitleg,
die ik aan de wet gegeven heb? Zijn er mogelijkheden om een overleg
van woordvoerders, die de vertrouwelijke stukken hebben ingezien,
te organiseren als griffie zonder dat er sprake is van een formele
besloten commissievergadering waarbij wel vertrouwelijk van
gedachten kan worden gewisseld? Het gaat dus niet om een formele
setting op grond van art. 80 Provinciewet in relatie
tot 91 Provinciewet (analoog aan 82 en 86 gemeentewet).
Zijn er anderszins slimme oplossingen binnen de grenzen van de wet?
Antwoord
Geheime stukken kunnen voorafgaande aan of in een vergadering
van commissie of raad ter kennis worden gebracht van de
geadresseerden. De geadresseerden zijn dat uit hoofde van hun
functie als lid van de commissie of raad of als ambtenaar. Het feit
dat een raadslid bij de bijeenkomst verhinderd was terwijl hij er
wel bij had mogen zijn, maakt niet dat de geheimhoudingsplicht
wordt geschonden als dat raadslid wordt geïnformeerd. Bij het
vaststellen van een verslag van een geheime/vertrouwelijke
bijeenkomst, dat is een vergadering waarin de geheimhouding is
bekrachtigd, kunnen dus alle personen die qualitate qua tot de
geadresseerden van de geheime informatie behoren aanwezig zijn.
De personen die kennis dragen van de geheime informatie mogen die
niet delen met personen die niet tot de kring van geadresseerden
behoren. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de vertrouwenscommissie
bij de benoeming van een nieuwe burgemeester. Wat zich in die
commissie afspeelt, behoort daarbinnen te blijven en niet met
fractiegenoten te worden gedeeld die van de commissie geen deel
uitmaken.
Hieruit volgt dat personen die kennis dragen van de geheime
informatie die niet mogen delen met personen die niet tot de kring
van geadresseerden behoren, maar wel met hen die wel tot de kring
behoren, maar niet aanwezig waren. In dit geval is er niet eens
twijfel over wie tot de kring van geadresseerden behoren, aangezien
alle betrokken personen al kennis hebben genomen van de stukken.
Onderling overleg is dus toegestaan.
De mogelijkheid dat de griffie een overleg organiseert van woordvoerders, die de geheime stukken hebben ingezien, zonder dat sprake is van een formele besloten vergadering als bedoeld in art. 86 Gemeentewet is af te raden. Geheimhouding kan alleen worden opgelegd in die gevallen, waarin de (Gemeente)wet voorziet. In artt. 25 en 86 wordt de mogelijkheid geboden geheimhouding op te leggen omtrent het in een besloten raads- of commissievergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken die aan de raad respectievelijk de commissie worden overgelegd. De Gemeentewet kent geen informele bijeenkomst/vergadering en volgens de systematiek van de wet kan dus ook geen geheimhouding worden opgelegd omtrent hetgeen in een dergelijke informele bijeenkomst mondeling dan wel schriftelijk aan de orde is geweest.