Column: Regionale samenwerking, hard nodig maar wel lastig
Het thema regionale samenwerking is ontzettend actueel. Zoals in de schitterende Achterhoek, waar in juni het VNG-Jaarcongres plaatsvindt. (Vergeef me mijn chauvinisme.) Ook in de rest van het land wordt er volop samengewerkt. Bijvoorbeeld om de demografische ontwikkeling te monitoren teneinde in te spelen op ontvolking en vergrijzing. En natuurlijk om regionale economieën te stimuleren.
Partijen
Al lang zijn gemeenten tot de conclusie gekomen dat ze, zelfs
met gemeentelijke samenwerking, niet het alleenrecht hebben voor
grote regionale processen. Bijdragen van andere overheden,
marktpartijen en maatschappelijke organisaties zijn nodig om tot
resultaat te komen.
Een vraag waar samenwerkende regio’s mee worstelen is: hoe geven we
structuur aan die samenwerking? Niet te formeel, maar ook niet te
vrijblijvend. Hoe kunnen we als gemeenten meewerken aan de
ontwikkelingen zonder ons (financieel) te binden?
Dit zijn vragen die op het snijvlak van het privaatrecht en het
publiekrecht liggen. Dat is lastig. Want bij samenwerking tussen
gemeenten en private instellingen speelt altijd de complicatie dat
de private bedrijven en organisaties per saldo alleen aan zichzelf
verantwoording schuldig zijn, maar dat gemeenten publieke
verantwoording moeten afleggen tegenover hun burgers/kiezers. Dit
betekent dat de relatie binnen de samenwerking per definitie
ongelijk is!
Bij deelname van gemeenten komt direct de raad in beeld. Wat is de
rol van de gemeenteraden als de gemeenten gaan samenwerken met
partners als de Kamer van Koophandel, grote onderwijsinstellingen,
bedrijven en banken?
Creatief
Wat je vaak ziet gebeuren is, dat “de regio” (dat is de
Gemeenschappelijke Regeling voor regionale samenwerking) het
initiatief neemt. Deze gaat een samenwerking aan met publieke en
private partners. Zoals voor regionale bedrijventerreinen, grote
infrastructurele werken als spoor en snelwegen, woningbouwplanning,
economische kadernota’s, hulpverlenings- en welzijnsprojecten,
grote recreatiegebieden, noem maar op.
De initiatiefnemers zijn als regel creatieve mensen die betrokken,
enthousiast en bevlogen zijn. Bestuurders (wethouders,
burgemeesters, een enkel raadslid) pur sang, die vooral het “doen”
centraal stellen en zich niet zoveel zorgen maken om structuren en
bevoegdheden. In de loop van het proces worden gezamenlijk plannen
gemaakt en projecten bedacht. En op zeker moment zijn de
private partners er klaar voor!
Maar ja, dan die gemeente. Wij moeten als griffiers vaak in het
laatste stadium maar een manier bedenken om het ontwikkelde plan
door de raad te loodsen. Liefst zonder al te veel gedoe en
tegenwerking vanuit de politieke fracties.
Moet de raad zo’n gezamenlijk plan dan “vaststellen”? Moet hij
ermee instemmen? Moet hij er kennis van nemen? Een beetje raad zal
zijn burgers gelegenheid geven om in te spreken. Pas op dat moment
wordt goed duidelijk wat het plan in de regionale en plaatselijke
samenleving teweeg brengt. Wat moet de raad met die reacties, als
hij er maar gedeeltelijk voor verantwoordelijk is?
En hoe zit het daarna het met vervolgacties van het plan? Betekent
“ermee instemmen” ook dat de raad op voorhand instemt met de
ruimtelijke gevolgen (zoals bestemmingsplannen) en de financiën?
Je wordt als gemeente – het is haast een Pavlov-reactie bij burgers
en bedrijven – al gauw weer neergezet als de overheid die moeilijk
doet. Terwijl de raad er toch echt alleen maar zijn
verantwoordelijkheid tegenover de burgers mee neemt.
Gemeenschappelijke regelingen
Individuele gemeenten kunnen niet regionaal plannen maken, dat
moet je samen doen. De Wet gemeenschappelijke regelingen maakt dit
mogelijk voor de uitvoering van publieke taken. In feite is de
Gemeenschappelijke Regeling (GR) de enige constructie waarbij
overheden zichzelf en elkaar juridisch kunnen binden.
Er zijn qua bevoegdheidsverdeling twee “typen” gemeenschappelijke
regelingen, namelijk GR-en waar wèl en waar géén bevoegdheden aan
zijn overgedragen. De aarzelingen van gemeenteraden om regionale
plannen te omarmen spelen vooral bij het eerste type. En terecht,
want deze raden zijn immers hun overgedragen bevoegdheden kwijt. De
GR kan de aangesloten gemeenten (voor zover het om overgedragen
bevoegdheden gaat) zonder meer binden. Slechts via het bestuur van
de GR kunnen ze invloed uitoefenen. Ik kan mij voorstellen dat
volksvertegenwoordigers daar moeite mee hebben.
Bij het tweede type GR-en, waaraan geen bevoegdheden zijn
gedelegeerd, moeten er voor ieder regionaal plan in de aangesloten
gemeenten gelijkluidende raadsbesluiten worden genomen. De
democratische legitimatie is op die manier verzekerd. Het is een
gecompliceerd proces, maar het is wel mogelijk. Zie bijvoorbeeld in
de Regio Stedendriehoek. Alleen kost het wel veel tijd.
En private partners dan?
Er zal weinig anders opzitten dan voor regionale
samenwerkingsverbanden met private partners varianten van
overeenkomsten of convenanten af te sluiten. Die zijn per definitie
privaatrechtelijk van aard, want publieke taken kun je niet met een
convenant of overeenkomst regelen.
Hierbij zijn op grond van artikel 160 Gemeentewet uitsluitend de
colleges in beeld. Die doen er verstandig aan om tevoren hun raden
te polsen (via een voorhangprocedure) voordat zij – al dan niet in
het verband van een GR – met private partners in zee gaan om
regionale plannen te maken.
Landsdelen??
De rijksoverheid heeft op haar schaalniveau ook iets op de
samenwerking bedacht. Die organiseert zogenoemde landsdelige
overleggen waarin grote projecten worden besproken met de betrokken
provincies en gemeenten. Ook de regionale gemeentelijke
samenwerkingsorganen worden hierbij betrokken.
Dit gaat meestal veel verder dan “bespreken”. In het landsdelige
overleg worden veel zaken min of mee afgekaart zonder ook maar de
geringste democratische controle of legitimatie. But who cares? De
rijksoverheid heeft geen burgers, zo luidt het adagium. Maar de
gemeenten, en in het bijzonder de raden, worden er wel op
aangesproken. In Friesland bestaat er een politieke partij die de
landsdelen wil formaliseren tot democratisch gelegitimeerde
overheden. Ook D66 heeft, meen ik, al eens zo iets geopperd. Maar
op dit moment is het nog lang niet zo ver.
Het begint bij de raad
Regionale samenwerking is nuttig en nodig. Maar plannenmakerijen
op regionaal niveau moeten altijd beginnen bij de gemeenteraden.
Het vereist een goed doordachte en nauwkeurig uitgeschreven
procedure om te komen van “niets” tot “het plan”, waarin alle
partijen (publiek en privaat) tot hun recht komen. De gemeenteraden
moeten daarin vanaf het prille begin meegenomen worden en deze
ondersteunen. Juist als het gaat om samenwerking met
niet-overheden. Gebeurt dit niet, dan trappen de raden in het
laatste stadium op de rem en is alle moeite voor niets geweest. Het
zijn immers de gemeenteraden die naar de burgers toe zullen moeten
uitleggen waarom de noodzaak van bepaalde regionale plannen
bestaat.
Door besturen van gemeenschappelijke regelingen en ook door
colleges wordt die rol van de raden regelmatig onderschat. Wij
hebben als griffiers – proceduredeskundigen bij uitstek – de taak
om hiervoor, als hoeders van het democratische proces, voortdurend
aandacht te vragen.
Krijn van der Heijden,
Raadsgriffier Zutphen