Column: Hoezo, belangenverstrengeling?
Het Amsterdamse stadsdeel Zuidoost is de laatste tijd regelmatig in het nieuws. Leden van de stadsdeelraad maken zich, aldus een rapport van de Rekenkamer, schuldig aan belangenverstrengeling. Zij zijn namelijk betrokken bij instellingen die subsidie van het stadsdeel ontvangen. De pers is erop gedoken en in publicaties kletst de een de ander na. Schande, werd er geroepen. Dat de fractie hen moet schorsen of ontslaan, wat juridisch gezien nonsens is, of dat die raadsleden zelf moeten aftreden. Op de terechtheid van deze hetze valt wel iets af te dingen.
Beschrijving
Wie het rapport heeft gelezen (140 pagina’s, plus 177 pagina’s bijlagen) ziet dat de genoemde belangenverstrengeling maar één aspect is van het veel bredere onderzoek naar de subsidieverstrekking door het stadsdeel. Het punt belangenverstrengeling is er echter nadrukkelijk uitgelicht, ook door de Rekenkamer.
Wat is er aan de hand? Het is de Rekenkamer gebleken dat leden van de stadsdeelraad ‘betrokken’ zijn geweest bij gesubsidieerde instellingen. Die betrokkenheid varieerde van vrijwilliger, inhuurkracht en bestuurslid tot betaalde beroepskracht. Mag dat dan niet? Ja zeker mag dat, want er staat niet in de Gemeentewet dat dit verboden is. In den lande zijn tal van raadsleden die ‘betrokken’ zijn bij instellingen waar de gemeente een relatie mee heeft. Alleen: het stadsdeel Zuidoost heeft een gedragscode voor raadsleden. En daarin staat:
- dat nevenfuncties moeten worden gemeld en openbaar zijn (dat staat ook in de Gemeentewet)
- dat zij zich van deelname aan de besluitvorming over die instelling moeten onthouden en
- dat een raadslid, dat directe relaties heeft met een organisatie die belang heeft bij een te nemen besluit, niet aan de stemming deelneemt
Dit is, zo algemeen geformuleerd, een ontzettend strenge code. Veel strenger dan de Gemeentewet. Bovendien spoort hij niet met jurisprudentie – het voert te ver om daar nu op in te gaan – die over ‘onverenigbaarheid’ bestaat. Daaruit blijkt namelijk, dat er helemaal niet zo gauw van onverenigbaarheid sprake is. Maar: de Rekenkamer heeft terecht vastgesteld dat er in sommige gevallen is gehandeld in strijd met die eigen gedragscode.
De Gemeentewet
Wat zegt de gemeentewet over belangenverstrengeling van raadsleden? Ten eerste geeft artikel 13 (artikel 88 voor deelraadsleden) een lijst van functies die onverenigbaar zijn met het raadslidmaatschap. Ten tweede bevat artikel 15 (op grond van artikel 91 van overeenkomstige toepassing voor deelraadsleden) een opsomming van verboden handelingen. Dan heb je nog artikel 28, dat zegt dat raadsleden niet mogen meestemmen over zaken die hen rechtstreeks persoonlijk aangaan, en over over de jaarrekening van een lichaam waarvan zij rekenplichtig of bestuurslid zijn. Maar – o, ironie – dit artikel geldt om onduidelijke redenen niet voor deelraadsleden. In het stadsdeel Zuidoost is dus gemeenterechtelijk niets aan de hand. Al helemaal niet als je de moeite neemt om de Algemene Subsidieverordening erop na te slaan. Daarin staat dat het dagelijks bestuur over de verstrekking van de subsidies besluit. Al zou een raadslid dat willen, het zou niet over subsidies kúnnen besluiten. De deelraad is daartoe niet bevoegd.
Overkill
In Zuidoost lijkt sprake te zijn van een overkill aan integriteitsgevoel. Als je ook maar enigszins een relatie hebt met een instelling die een band met de gemeente heeft, dan moet je je als raadslid terugtrekken bij de besluitvorming. In deze opvatting ligt een contradictie opgesloten. Want een (deel)raadslid is per definitie belanghebbend. Alle besluiten die de raad neemt en verordeningen die hij vaststelt werken immers uit op inwoners van de (deel)gemeente, dus ook op raadsleden. Er is altijd wel een familielid, een buurman, een vriend, een zakenpartner of een kennis die belang heeft. Veel raadsleden hebben partners en kinderen die op verenigingen zitten of zijn zelf lid of bestuurslid. Als het de bedoeling van de wetgever zou zijn om zulke belangenverstrengeling te voorkomen, dan zou het niet een vereiste zijn om als raadslid in de (deel)gemeente te wonen, maar juist daarbuiten! Dan is objectiviteit pas gegarandeerd. Dat staat echter niet in de Gemeentewet.
Nieuwe norm
De Rekenkamer Amsterdam (die trouwens bestaat uit één lid, tevens de directeur zijnde) heeft met zijn rapport een nieuwe norm voor integriteit neergelegd. Deze norm baseert zich op een misschien wel politiek correcte, maar niet werkbare integriteitscode. Hierover is niet goed nagedacht. Als de raad deze code letterlijk wil volgen, dan kan bij de meeste besluiten de helft van de raadsleden niet meestemmen. Het maakt de (deel)gemeente bijna onbestuurbaar.
Wie controleert de Rekenkamer?
Een Rekenkamer zou boven kritiek verheven moeten zijn. Toch bekroop mij bij het lezen van het rapport regelmatig het, hopelijk onterechte, gevoel dat er politieke addertjes onder het rekenkamergras zijn gekropen. Het lijkt in ieder geval niet handig om één raadsfractie met naam te beschuldigen, terwijl de geconstateerde fouten ook in andere fracties zijn gemaakt. Overigens is het voor de rest (het rapport gaat immers over subsidieverstrekking in de breedte) een verstandig rapport, met verstandige aanbevelingen om de subsidies beter te beheersen. Het rapport gaat ook in op de betrokkenheid van behandelende subsidieambtenaren en van dagelijks bestuursleden. Maar dat is voor griffiers minder interessant.
Een punt van kritiek van de Rekenkamer is ook, dat raadsleden moties hebben ingediend die eigenbelang zouden dienen. Nu is het indienen van een motie een politiek recht. De hele raad is daarbij en het past niet om als Rekenkamer een oordeel over de inhoud van een motie te geven. Dan is het eind zoek. Naar mijn mening is de Rekenkamer daarin buiten zijn wettelijke boekje gegaan. Met dit rapport nadert de Rekenkamer Amsterdam naar mijn mening sowieso de grens van zijn wettelijke taak, namelijk het doen van onderzoek naar de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Het is de vraag of het integriteitspunt binnen deze taakstelling past. Hierover zal het laatste woord nog niet gesproken zijn. Want ik heb op congressen al hardop de vraag horen stellen: wie controleert de Rekenkamer?
Voor onze beroepsgroep zouden wij van deze kwestie kunnen leren. Een rekenkamerrapport kan gemakkelijk tot een politiek instrument worden. Volgens mij moeten wij onze raadsleden niet op voorhand al te angstig maken voor belangenverstrengeling. Maar een gewetensvolle doordenking van wat ‘integriteit’ dan wél inhoudt kan zeker geen kwaad.
Krijn van der Heijden
raadsgriffier Zutphen