Column: Eerste- en tweederangs gemeenteraden
Het Haagse idee van A- en B-gemeenten, afhankelijk van hun takenpakket, is geen goed idee. Er bestaat maar één soort gemeenteraad, namelijk dé gemeenteraad.
Beschrijving
Zo nu en dan hoor je uit de landelijke politiek geluiden waarvan de rillingen over je rug lopen. Zo las ik in Binnenlands Bestuur van 6 februari 2009 dat een meerderheid van de Tweede Kamer wel iets voelt voor differentiatie tussen gemeenten. Men denkt aan A-gemeenten en B-gemeenten, die verschillende takenpakketten zouden moeten krijgen. ‘Er is niets op tegen als Wassenaar of Rijswijk de sociale werkvoorziening door Den Haag laten doen’, aldus Pierre Heijnen van de PvdA. ‘En wat de verantwoordelijkheid van de raad betreft,’ zegt hij, ‘dat is ook geen probleem, want nu al controleren centrumgemeenten het beleid voor daklozen.’
Eerste-, tweede en derderangs burgers
Het is niet voor het eerst dat zulke gedachten in de hoofden van
beleidsmakers zijn opgekomen. Ik herinner aan het rapport van de
Staatscommissie Dualisme en Lokale Democratie. Inderdaad, hét
rapport waarop de gemeentelijke stelselwijziging is gebaseerd.
Daarin stelde de commissie onder voorzitterschap van Elzinga voor
om bij het kiezen van een burgemeester onderscheid te maken tussen
drie categorieën gemeenten. De inwoners van de grote steden mochten
zelf hun burgemeester kiezen. Tussen 50.000 en 100.000 inwoners was
er de keuze tussen een bindende voordracht van de raad of een
verkiezing. Onder de 50.000 inwoners mochten de burgers niet
kiezen. Dit was een staaltje bestuurders-denken van de bovenste
plank, waarvoor we behoed zijn gebleven. De aanbevelingen werden
niet erg serieus genomen.
Gelukkig nam Elzinga in een artikel in de Staatscourant zelf
afstand van dit wangedrocht van een politiek compromis. Maar toch,
kennelijk vonden sommigen, en niet de eersten de besten, dat er
zoiets bestaat als eerste-, tweede- en derderangsburgers.
Eerste- en tweederangs gemeenteraden
Het maken van onderscheid tussen gemeenten en hun takenpakket is
hiermee vergelijkbaar. Waarschijnlijk gaan de politici ervan uit
dat grote gemeenten beter in staat zijn om hun zaken te regelen dan
kleine. Deze gedachte leidt tot eindeloze discussies. Die zijn al
vaker gevoerd, vooral in het kader van gemeentelijke herindeling.
(Ik zal mij, als ervaringsdeskundige op dit gebied, inhouden.) Maar
één ding is zeker: je komt er nooit uit waar de inwonertalgrens
moet liggen. Want waarom zou een gemeente van 30.100 inwoners wel
kunnen wat een gemeente van 29.900 niet kan? Dit geldt mutatis
mutandis voor iedere inwonertalgrens die wordt getrokken.
Wat er momenteel in de Tweede kamer wordt gezegd over A- en
B-gemeenten getuigt van onkunde aangaande het gemeentelijke reilen
en zeilen. En vooral van een miskenning van de democratische
rechten en plichten van kleine gemeenten. Want de argumenten die
worden aangedragen over de uitvoering van sociale werkvoorziening
en daklozen slaan, met alle respect, nergens op. Het gaat daarbij
om uitvoerende werkzaamheden die door een andere gemeente worden
gedaan. Dit gebeurt op grote schaal en op veel beleidsterreinen.
Ook grote gemeenten besteden taken uit aan nog grotere. Meestal
gebeurt dit uit efficiëntieoverwegingen, maar er zijn ook diverse
regelingen van hogere overheden die dit mogelijk maken of zelfs
voorschrijven.
Waar het om gaat is, dat een gemeenteraad voor zijn burgers het
beleid bepaalt en dit vastlegt in verordeningen. Deze
kaderstellende taak van de raad, die democratisch is gelegitimeerd,
is cruciaal. Daarbij maakt het niet uit of het een kleine of grote
gemeente is. Er bestaan geen eerste- en tweederangs gemeenteraden.
Ook de raden van kleine gemeenten zijn goed in staat om het beleid
voor hun burgers op hoofdlijnen te formuleren.
Uitvoering van het beleid
De uitvoering van het beleid is vervolgens aan het college in
het kader van zijn bestuursbevoegdheid. In sommige gemeenten kan
men besluiten om de uitvoering geheel of gedeeltelijk uit te
besteden aan een andere, grotere gemeente die toch al het
ambtelijke apparaat heeft. Dat uitbesteden gebeurt echter onder
verantwoordelijkheid van het college, waarop de raad hem ook kan
aanspreken. Het is immers volstrekt ondenkbaar dat de raad van de
ene gemeente het beleid van het college van de andere democratisch
controleert.
Het zou goed zijn als de Tweede Kamer meer vertrouwen had in de
gemeenteraden en hun kaderstellende rol. En als de rijksoverheid
zich minder zou bemoeien met de manier waarop gemeenten hun zaken
praktisch regelen. Verder heeft men in Den Haag de neiging om de
ogen te sluiten voor constructies waarin gemeenten samenwerken bij
de uitvoering, maar wel apart het beleid bepalen. De afzonderlijke
raden van zulke gemeenten stellen het beleid vast, terwijl de
ambtelijke organisaties in meerdere of mindere mate geïntegreerd
zijn. Er zijn diverse voorbeelden waar dit goed werkt, zoals
gemeenten die Samen En Toch Apart (SETA) zijn of heel kleine
gemeenten waar de meeste uitvoerende taken door een grotere
buurgemeente worden uitgevoerd. Maar helaas, de politieke discussie
gaat vrijwel direct over ‘herindelen of niet’, vanuit de stelling
dat groter ook altijd beter is. Deze stelling is bij mijn weten
nooit afdoende bewezen.
Er is maar één soort gemeenteraad Ik breek een lans voor de
gemeenteraad als democratisch gekozen orgaan. Deze moet in zowel
grotere als kleinere gemeenten besluiten nemen over de hoofdlijnen
van alle gemeentelijke taken. Dus geen A- of B-pakket, afhankelijk
van de gemeentegrootte. Als een categorie gemeenteraden het recht
wordt ontnomen om democratische besluiten te nemen, dan wordt er in
feite gehandeld in strijd met artikel 127 van de Grondwet. Daarin
staat namelijk dat dé gemeenteraad de gemeentelijke verordeningen
vaststelt. Er staat niet: sommige gemeenteraden.
Krijn van der Heijden,
Raadsgriffier Zutphen.