Column De vijftigste - over ‘Ombudsprudentie’
Dit is de vijftigste column die ik voor de website van de Vereniging van Griffiers heb gemaakt. En er is nog voldoende stof voor de volgende vijftig! Zoals over ‘ombudsprudentie’.
De kwestie is in een raadsvergadering besproken, waarbij verschillende fracties hun opvatting gaven. Maar de raad als zodanig heeft volgens de N.O. geen oordeel gegeven. Hij verklaarde de klacht gegrond wegens strijd met het redelijkheidsvereiste. De raad had zelf onderzoek naar de zaak moeten doen. Nu blijven al dan niet terechte beschuldigingen in de lucht hangen, aldus de ombudsman.
Tussen haakjes: ik ontving van de betreffende griffier het raadsbesluit dat wel degelijk is genomen.
Klachtrecht
Deze casus brengt ons in de boeiende wereld van het klachtrecht,
waarover in 2005 van mijn hand bij Elsevier een boekje is
verschenen, getiteld ‘Klachtenbehandeling door decentrale
overheden’ (zie de QR-code hiernaast).
Het voert voor een column te ver om volledig te zijn, en ik houd
mij verre van een inhoudelijk oordeel over wat er in deze gemeente
speelde. Maar één aspect van de kwestie wil ik toch belichten,
namelijk de vraag: wie kan een individueel raadslid aanspreken op
gedragingen die tot een klacht hebben geleid?
Een klacht is niet altijd een klacht
De Klachtenregeling van de betreffende gemeente wijst echter wel een klachtbehandelaar aan bij klachten over een lid van de raad. Dat artikel is dus in strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
Niet bevoegd
Als de wet goed zou zijn toegepast, dan had de klacht door de
raad niet in behandeling genomen mogen worden voor de interne
klachtenbehandeling (titel 9.1 Awb). Althans niet onder het regime
van de Awb.
Het wonderlijke is, dat de N.O. dit ook met zoveel woorden in zijn rapport schrijft. Niettemin geeft hij een inhoudelijk oordeel over de kwestie, met de motivering dat volgens hem de vraag aan de orde is of de raad in redelijkheid tot zijn oordeel is kunnen komen.
De zaak lag echter gecompliceerder dan ik hier beschrijf. Ik veronderstel dat de N.O. zich bevoegd voelde omdat er in het kader van dezelfde kwestie meer klachten waren binnengekomen.
Wie mag oordelen?
Terug naar de vraag wie een oordeel mag hebben over een
individueel raadslid.
De Nationale Ombudsman schrijft in dit verband in zijn rapport:
“Uiteraard (!) ligt daarbij de eerste verantwoordelijkheid bij de
fractie waartoe het raadslid behoort, maar uiteindelijk draagt de
gemeenteraad de verantwoordelijkheid.”
In laatste instantie is het de kiezer die een raadslid afrekent op zijn of haar gedrag.
Ombudsprudentie
Zoals rechters oordelen over rechtmatigheid, zo oordelen ombudsmannen over ‘behoorlijkheid’ van het optreden van bestuursorganen. De vorige ombudsman, dr. mr. M Oosting, heeft een inventarisatie opgesteld van 23 ‘behoorlijkheidscriteria’ – die de geschiedenis is ingegaan als ‘het lijstje van Oosting’ – waar inderdaad als 9e criterium ‘redelijkheid en evenredigheid’ wordt genoemd.
De hier behandelde uitspraak van de N.O. moet naar mijn mening gezien worden als een moreel oordeel (eigenlijk is ‘behoorlijkheid’ altijd moreel van aard) over het optreden van het betreffende raadslid. Dat oordeel is op zichzelf genomen waardevol. Maar het gaat naar mijn smaak dus te ver om daar een afkeurend oordeel over de gemeenteraad aan te verbinden.
Beschouw deze column maar als een annotatie bij de uitspraak.
Politiek oordeel?
Integriteit is erg belangrijk. Gemeenteraden, colleges en hun
leden en ook ambtenaren moeten actief bezig zijn met integer
handelen. Zij moeten elkaar scherp houden en elkaar zo nodig
aanspreken. Dit behoort tot het standaard gedrag van
overheidsdienaars.
Had de raad van de gemeente dan helemaal niets moeten doen?
Maar in mijn visie ligt het niet op de weg van de raad om als bestuursorgaan een bestuurlijk oordeel te hebben over een individueel raadslid. Trouwens, hoe zou de raad ooit tot zo’n moreel oordeel moeten komen? Bij meerderheid van stemmen?
Ik ben benieuwd naar de mening van collega’s op dit punt.
Krijn van der Heijden,
Raadsgriffier Zutphen.