Geloofsbrievenonderzoek
Geloofsbrievenonderzoek voor een wethouder van buiten de raad. Sinds de invoering van het dualisme kennen we een nieuwe 'figuur' in ons lokale bestel: een wethouder van buiten de raad. Wat moet er zo al geregeld worden rond zijn benoeming, zeker als er sprake is van nevenfuncties?
Beschrijving
In de aanloop naar de volgende gemeenteraadsverkiezingen besteedt de webredactie aandacht aan onderwerpen, die bij de komende collegevorming een rol kunnen gaan spelen. Met een gekozen burgemeester kan natuurlijk alles anders worden.
In Eindhoven legde aan het einde van het vorig jaar een wethouder zijn fuctie neer. Net voor de Kerst werd voor de resterende raadsperiode een nieuwe wethouder voorgedragen: een wethouder van buiten de raad. Uit mededelingen was duidelijk geworden dat de nieuw te benoemen wethouder ook nevenfuncties vervulde. Hoe moet de raad hiermee omgaan?
Bij dat soort gevallen wordt al snel teruggegrepen op de Gemeentwet. Wat regelt die wet? De wet bepaalt in artikel 41 b dat een wethouder geen nevenfuncties vervult waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede uitoefening van zijn wethouderschap. De vraag is evenwel hoe de raad in de gelegenheid gesteld wordt om dat te kunnen beoordelen, zeker bij een (onbekende) wethouder van buiten. Het zou natuurlijk niet zo moeten zijn dat op het moment dat de benoeming in de raad aan de orde is, zich dan op eens een debat ontvouwt over eventuele nevenfuncties. Hoe hiermee om te gaan? Hierover regelt de Gemeentewet niks.
Binnen de raad, ten minste zo is dat nu in Eindhoven, draagt de voorzitter van de betreffende fractie een kandidaatwethouder voor. Hij of zij licht de kandidatuur verder toe. Dat is ook logisch, want die fractievoorzitter draagt in de raad in de eerste plaats de politieke verantwoordelijkheid voor de voordracht. Met de fractievoorzitter werd afgesproken dat de kandidaatwethouder een formulier, analoog aan het formulier voor nieuwe raadsleden, zou ontvangen (tip: zorg op het formulier voor voldoende ruimte voor de tijdsbesteding en voor een toelichting). Dit formulier werd voorgelegd aan de " geloofsbrievencommissie". In die commissie ontspon zich vervolgens een discussie over de aard van de nevenfuncties. Dat werd veroorzaakt door ontbrekende informatie. Er ontstond nog even een probleem, omdat het onderzoek direct voorafgaand aan de raadsvergadering plaats vond. De voorzitter van die commissie ging daar echter goed mee om. Er waren geen doorslaggevende bezwaren. Nadere vragen over de nevenfunctie werden bij de raadsvoorzitter geparkeerd.
We leerden ervan, dat het goed is om de geloofsbrievencommissie een rol in het benoemingsproces te geven, dat er duidelijk registratieformulier moet zijn en dat de commissievergadering niet direct voorafgaand aan de vergadering moet plaatsvinden. Er is dan immers geen ruimte meer voor overleg.
Er zijn ook andere vormen van betrokkenheid van de raad denkbaar. Daarvoor is hier in Eindhoven niet gekozen. Ik geef nog een andere mogelijkheid voor de meningsvorming binnen de vereniging. Er zou namelijk ook gedacht kunnen worden aan een kennismakingsgesprek met een (geloofsbrieven)commissie. In dat gesprek zouden allerlei vragen aan de kandidaatwethouder gesteld kunnen worden. Voordeel is dat de raad de gelegenheid krijgt om rechtstreeks te communiceren met de kandidaatwethouder. Voor de duidelijkheid: het is geen selectiegesprek. Het enige onderwerp zijn de nevenfuncties.