Column: Kerntaken bestaan niet
Veel gemeenten hebben grote moeite met het sluitend krijgen van hun begroting. Samen met de verwachte vermindering van de inkomsten betekent dit dat ingrijpende bezuinigingen nodig zijn. Gemeenten kunnen hun borst nat maken. En dus: een kerntakendiscussie. Daarin zal de griffier, hoe dan ook, een rol spelen. Hieronder enkele gedachten die ik met de collega’s wil delen.
Déjà vu gevoel
Het zal wel komen doordat ik al wat langer in overheidsland meeloop, maar mij bekruipt een déjà vu gevoel. De huidige situatie lijkt veel op die in de jaren 80 van de vorige eeuw toen het kabinet-Van Agt zijn heroverwegingen en ombuigingen doorvoerde. Ook in die tijd kwamen gemeenten voor ingrijpende bezuinigingen te staan. Opleiders, waaronder de toenmalige bestuursacademie, speelden daarop in – helemaal volgens de trend van die tijd – met bezuinigingsleergangen in een conferentiecentrum. Ondanks dat ik daarin als begeleider optrad, had ik er toen al geen erg goed gevoel bij. Vooral vanwege de mythe die werd verkocht dat bezuinigen een kwestie van rationeel afwegen was. De hoofdlijn van de leergang was: als je maar een goed overzicht over alle activiteiten hebt en daar een wegingsfactor aan hangt, dan rollen vanzelf de bezuinigingen eruit. De geschiedenis heeft deze mythe ontkracht. Bezuinigen is een puur politiek en daarmee per definitie niet-rationeel proces. Misschien kunnen we iets van de geschiedenis leren.
Pavlov-reacties
Uiteindelijk zullen de gemeenteraden knopen moeten doorhakken.
Welke voorzieningen gaan we verminderen? Welke heffen we op en
welke laten we in stand? Dat zijn lastige beslissingen, die
bovendien moeilijk aan achterbannen en burgers zijn uit te leggen.
Het is niet meer dan logisch dat de raad zoekt naar een methode om
daar een zekere structuur in aan te brengen en ook zoekt naar
achterliggende motiveringen van de maatregelen.
In veel gemeenten gaat het niet anders dan dertig jaar geleden: er
treden spontane, haast geconditioneerde reacties op, zoals de
speekselreflex bij de experimentele hond van Pavlov. Iedereen praat
iedereen na.
Welk deel van het beleid is beïnvloedbaar? Wat zijn de wettelijk
verplichte taken? Wat willen we in ieder geval ontzien? Kunnen we
niet met minder ambtenaren? Wat vinden we echt belangrijk? Iemand
roept “kerntakendiscussie” en daar wordt men het al snel over eens.
Maar dan begint het pas. Want wat zijn kerntaken? En wie bepaalt er
wat belangrijk is? Dan volgt de oplossing. Om te beginnen moet er
een overzicht komen van alle taken van de gemeente, met de
vermelding of ze wettelijk zijn, en hoeveel geld eraan wordt
uitgegeven. Daarna moet gesproken worden over het belang van de
activiteiten. En vervolgens moet er worden gekozen. Makkelijk
zat.
Good old Planning of change
Het bezuinigingsproces waar we voor staan is er één waarvan de
uitkomst tevoren vaststaat en waarvan tevoren ook bekend is dat
niemand het echt wil. Het gaat niet meer om de of-vraag, maar
alleen om de hoe-vraag.
Bezuiniging is als proces goed vergelijkbaar met onprettige
organisatieveranderingen zoals reorganisaties en fusies. Daarvoor
is in de vorige eeuw door de ‘plannende veranderaars’ een
wetenschappelijke aanpak ontwikkeld, die ik voor de collega’s maar
eens uit het vet haal.
Het gaat om Kurt Lewins basismodel van drie veranderingsfasen:
‘unfreezing’ (‘afkicken’ van het oude gedrag), ‘moving’ (het nieuwe
gedrag aanleren) en ‘freezing’ (beklijven van het nieuwe gedrag),
gecombineerd met drie handelingsstrategieën die bij deze fasen
horen: overtuigen, leren en dwingen.
In de eerste fase (unfreezing) moet iedereen – raad, college en
organisatie – er diep van overtuigd raken dat bezuiniging echt
noodzakelijk is. Men moet afkicken van de groei en van het idee dat
het allemaal wel mee zal vallen. Er moet in deze fase vooral
gebruik worden gemaakt van overtuigingsstrategieën. Overzichten,
cijfers, feiten, rationele inzichten zijn nodig. Goede
communicatie, ook naar de burgerij toe, is daarnaast essentieel.
Maar er mogen aan de bevolking geen illusies worden voorgehouden.
Het doel is en blijft bezuinigen, er mag niet worden uitgestraald
dat er wel onderuit te komen valt.
Daadwerkelijke verandering
De tweede fase (moving) is de belangrijkste. Hierin vindt de
daadwerkelijke verandering plaats: de concretisering van ideeën
voor bezuiniging. De geschiedenis heeft, zoals gezegd, laten zien
dat rationele afwegingen gedoemd zijn te mislukken. In deze fase
moet er naar mijn mening dan ook een beroep worden gedaan op het
politieke gevoel, de intuïtie en het inzicht van de
gemeentebestuurders om in te schatten hoe de politiek-bestuurlijke
schade zo veel mogelijk kan worden beperkt. Ambtenaren kunnen prima
voorwerk doen, maar alleen zij die het plaatselijke politieke
spectrum overzien, kunnen inschatten hoe, waar en hoeveel er
bezuinigd kan worden, met het einddoel op het netvlies. In eerste
instantie ligt dit op de weg van het college, in tweede instantie
op die van de raad. Het is van groot belang dat dit laatste in
openbaarheid gebeurt. De politiek opereert vanuit het mandaat dat
zij van de kiezers heeft gekregen en de burgers hebben recht om te
weten hoe daarmee wordt omgegaan. Inspraak – alle potentiële
getroffenen zijn uiteraard tegen – kan bezuiniging niet voorkomen,
maar draagt bij aan het proces van keuzes maken.
De derde fase (freezing) is de fase waarin de besluitvorming over
de bezuiniging en de uitvoering en effectuering daarvan
plaatsvinden. In deze fase moeten vooral machtstrategieën worden
toegepast: de beslissingsmacht van de volksvertegenwoordiging; het
nemen van besluiten, aanpassen van visies, wijzigen van regelingen
en verordeningen. De politiek beslist, vaak tegen de wil van de
bevolking in. De raad houdt zijn rug recht en doet waarvoor hij is
gekozen: besluiten nemen en uitvoeren die op termijn goed zijn voor
de gemeente. En hij communiceert zo gemotiveerd mogelijk naar de
bevolking.
Misvatting
Een misvatting die ik, vanuit historisch perspectief, wil
signaleren is, dat meer informatie de keuzes makkelijker maakt.
Dertig jaar geleden stelden we lijsten op van alle producten en
diensten van de gemeente; daarachter kolommen, met daarin uiteraard
het bedrag wat het om ging, waar het geld vandaan kwam (algemene,
specifieke uitkering, eigen belasting etc.), of de taak wettelijk
of autonoom was, in hoeverre hij beïnvloedbaar was en een
inschatting van het maatschappelijk effect. Dat werden behoorlijk
dikke boeken, waar je nauwelijks nog overzichtelijk de weg in kon
vinden. We hebben geleerd dat al deze gedetailleerde informatie de
keuzes niet makkelijker maakt. Het is de kunst om de hoofdlijn in
de gaten te houden.
Verder zijn er diverse cijfermatige, haast wiskundige pogingen
ondernomen om een soort ‘afweeg’-systeem te ontwikkelen. Maar deze
bleken methodisch en qua validiteit discutabel te zijn. Scoort een
activiteit nu 2 of 3 op een schaal van 5? En bovendien: na al
het rekenwerk bleek vaak dat de rationele, wiskundige uitkomst de
raad niet beviel en dat hij op basis van intuïtie – of door
inschatting van politieke haalbaarheid – in meerderheid voor iets
anders koos. Al het rekenwerk bleek dan voor niets te zijn
geweest.
Beïnvloedbaar
Een ander punt is de mate van beïnvloedbaarheid. Iedereen roept
dat er maar zo’n 40 procent van de gemeentebegroting beïnvloedbaar
is. Bijna alles ligt immers wettelijk vast. Dit lijkt me een tweede
misvatting. Bij de meeste wettelijke taken heeft de gemeente
namelijk een bepaalde beleidsvrijheid, waardoor bezuiniging
mogelijk is. De raad kan een ‘zuinige’ of een ruimhartige
verordening vaststellen. Om er een paar te noemen: de WMO, de
(bijzondere) bijstand, het leerlingenvervoer, de
onderwijshuisvesting, het zijn terreinen die wettelijk, dus
onbeïnvloedbaar heten te zijn, maar waarop door een ander beleid
zeker bezuinigingen mogelijk zijn.
Begrijp me goed, ik pleit absoluut niet voor bezuinigingen op deze
beleidsterreinen. Maar je kunt niet alle wettelijke taken met
beleidsvrijheid op voorhand als onbeïnvloedbaar beschouwen, en
vervolgens bezuinigen op het zwembad of de schouwburg, omdat je
daarvoor alleen maar een subsidie hoeft in te trekken (dat moet
trouwens wel gebeuren met een redelijke afbouwperiode).
Rangorde
Een derde misvatting is dat wettelijke taken per definitie als
belangrijker worden beschouwd dan autonome taken. Dat is uiteraard
niet het geval. Er zijn heel wat niet-wettelijke gemeentelijke
taken die voor de samenleving van groot belang zijn, die bepalend
zijn voor een veilige en prettige woonomgeving. Zo is er geen wet
die een gemeente verplicht om vrijetijdsvoorzieningen te
subsidiëren of een skatebaan aan te leggen. Maar wil dat zeggen dat
deze voorzieningen minder belangrijk zijn dan bijvoorbeeld de
wettelijk verplichte aanwezigheid van gescheiden afvoercircuits
voor hemel- en rioolwater?
Ach, het is appels met peren vergelijken. In zijn eigen context is
immers alles belangrijk. In die zin bestaan kerntaken niet.
Heroïsche taak
Er rust in tijden van bezuiniging op de schouders van de
gemeenteraden een zware, maar ook heroïsche taak. Zij moeten de
consequenties nemen van de rol die zij op zich hebben genomen,
namelijk het besturen van de gemeente in goede en in slechte
tijden. Dit mag niet worden onderschat. Het is een ondankbare,
impopulaire en zeker ook eenzame opdracht. Meer dan ooit is de
gemeenteraad bij bezuinigingen de plaats waarin tegenstrijdige
politieke opvattingen bij elkaar komen en met elkaar de degens
kruisen, en waar op de een of andere manier een besluit uit moet
komen waarmee, als het even kan, iedereen enigszins kan leven.
Het is bepaald geen simpele taak. Ik vertrouw erop dat de raad in
zijn griffier een procedurele ruggensteun, een houvast en een
klankbord zal vinden.
Krijn van der Heijden,
Raadsgriffier Zutphen