Column: Geloofsbrieven in orde, maar toch…
We wissen als griffiers het zweet
van ons voorhoofd. Hard werken was het, zo rondom de wisseling van
de raad. Maar de hectische tijd is weer een beetje voorbij. Alle
procedurele en administratieve hobbels zijn genomen. Onze
raadsvoorzitters hebben op ongeveer hetzelfde moment de nieuwe
raden geïnstalleerd. Inwerkprogramma’s worden uitgevoerd en de
eerste ‘echte’ vergadering is in voorbereiding of heeft al
plaatsgevonden. Toch kunnen er nog lastige obstakels
opdoemen.
Beschrijving
De geloofsbrieven van de aankomende
raadsleden zijn door de commissie van onderzoek in orde bevonden.
Er is dus geen belemmering voor het raadslidmaatschap. Maar eenmaal
beëdigd zijnde, kunnen er voor de raadsleden toch nog wel wat
lastige situaties ontstaan, die van de griffier en de
raadsvoorzitter een zorgvuldige behandeling vereisen.
Het
woonplaatsvereiste
Ten eerste de vraag of het raadslid wel
woonachtig is in de gemeente. Het komt regelmatig voor dat een
raadslid ervan wordt beschuldigd feitelijk niet in de gemeente te
wonen, omdat door burgers wordt waargenomen dat hij of zij zelden
thuis is. Men neemt dan bijvoorbeeld aan dat het raadslid met
iemand anders in een andere gemeente samenwoont. De vraag is: moet
je op zo’n signaal ingrijpen? Bij deze kwestie spelen drie
artikelen van de Gemeentewet een rol, namelijk de artikelen 10, 2
en 3. Artikel 10 zegt dat voor het lidmaatschap van de raad vereist
is dat men ‘ingezetene’ van de gemeente is. Artikel 2 legt dit
begrip uit: ingezetene ben je als je je werkelijke woonplaats in de
gemeente hebt. Vervolgens zegt artikel 3 dat dit voor de toepassing
van de Gemeentewet geacht wordt het geval te zijn als je bent
ingeschreven in de GBA, tenzij het tegendeel bewezen wordt. Kortom,
als raadsleden ervan beschuldigd worden dat zij niet in de gemeente
wonen, dan is een uittreksel uit de GBA voldoende. De mensen die
het raadslid onder vuur nemen moeten maar bewijzen dat hij of zij
buiten de gemeente woont. Soms komen ze nog aan met het begrip “te
zijner woonstede” uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 10
lid 1), waarin gesproken wordt over ‘werkelijk verblijf’, een thema
waarover een massa jurisprudentie bestaat. Er is echter geen reden
om dit privaatrechtelijke begrip in het kader van de Gemeentewet
erbij te betrekken.
Nevenfuncties die niet onverenigbaar
zijn
Ten tweede de nevenfuncties. Bij het
onderzoek van de geloofsbrieven is gekeken naar functies die niet
met het raadslidmaatschap samen kunnen gaan. Ze zijn in artikel 13
van de Gemeentewet limitatief opgesomd. Alle beëdigde raadsleden
voldoen aan deze eis. Maar daarmee is de kous nog niet af.
Raadsleden kunnen in het dagelijks leven een baan hebben waarin zij
regelmatig zaken doen met de gemeente. En dat is volgens artikel 15
van de Gemeentewet verboden. We praten dan niet over “onverenigbare
functies”, maar over “verboden handelingen”. Dit artikel gaat vrij
ver. Strikt genomen mag een raadslid als bakker geen broodjes aan
de gemeente leveren, en een raadslid als dealer van Mercedes geen
vrachtauto voor openbare werken. Raadsleden mogen ook in hun gewone
baan niet optreden als vertegenwoordiger of als adviseur van een
derde die zaken doet met de gemeente. Dus een makelaar die een pand
aan de gemeente verhuurt mag dit niet laten behandelen door de
medewerker die raadslid is.
Als een raadslid in strijd met de
Gemeentewet handelt…
Wat nu als er een verdenking is dat het
raadslid niet meer in de gemeente woont? Of een onverenigbare
functie bekleedt? Of verboden zaken doet met de gemeente? Het ligt
volgens mij op de weg van de griffier om in eerste instantie als
een soort integriteitsbewaker op te treden.
Voor wat betreft de woonplicht (artikel 10
lid 1 Gemw) en nevenfuncties (artikel 13 lid 1 Gemw) van de
raadsleden zal de griffier de raadsvoorzitter moeten inseinen zodra
er signalen zijn dat een raadslid daaraan niet meer voldoet of
ermee in strijd handelt. Het is namelijk de voorzitter van wie
actie wordt verwacht. De betreffende procedure is te vinden in de
Kieswet (artikel X5). De raadsvoorzitter waarschuwt in zo’n geval
schriftelijk het betreffende raadslid. Deze waarschuwing móet aan
het oordeel van de raad worden onderworpen, ook al staat er in de
Kieswet dat dit “het betreffende raadslid vrij staat”. Dit is
onlangs duidelijk geworden in een aardige uitspraak van de Raad van
State (gemeente Abcoude, nr. 200907489/1/H2). De voorzitter mag dus
niet zonder uitspraak van de raad aan het raadslid meedelen dat het
van rechtswege geen raadslid meer is en de toegang tot de raad
weigeren.
Voor de procedure bij overtreding van
artikel 15 van de Gemeentewet moeten we naar artikel X8 van de
Kieswet (ja, ja, het is gecompliceerd). Als een griffier merkt dat
een raadslid verboden zaken doet met de gemeente, dan kan hij de
voorzitter adviseren het raadslid te schorsen. In de eerstvolgende
raadsvergadering moet de raad daar een uitspraak over doen.
Uiteindelijk kan de raad (dus niet de voorzitter) het raadslid uit
zijn functie ontheffen. Daar is beroep tegen mogelijk.
Maar zo ver moet het natuurlijk niet komen. Een griffier kan al direct bij de start van de nieuwe raad een fractievoorzitter waarschuwen als duidelijk is dat een fractielid een beroep heeft waarin hij of zij het risico loopt verboden zaken met de gemeente te doen.
Maar zo ver moet het natuurlijk niet komen. Een griffier kan al direct bij de start van de nieuwe raad een fractievoorzitter waarschuwen als duidelijk is dat een fractielid een beroep heeft waarin hij of zij het risico loopt verboden zaken met de gemeente te doen.
Wat een boeiend vak, raadsgriffier!
Krijn van der Heijden,
Griffier gemeente Zutphen.
Griffier gemeente Zutphen.

31 mrt 2010