Column: Burgerparticipatie voorbij?
Het boekje In Actie-‘Naar Buiten’ van het Actieprogramma lokaal bestuur, de VNG en BZK is een lekker zap-boekje. Het is in groten getale verspreid onder raadsleden en griffiers. Het bestaat uit superkorte artikelen die je in een paar minuten leest. Onderwerp: allerhande vormen en aspecten van burgerparticipatie. Maar is er echt iets nieuws onder de zon?
Burgerparticipatie is een boeiend begrip. Het omvat de vormen en
manieren om burgers en instellingen actief bij het gemeentelijke
beleid te betrekken. Het is ook een bejaard begrip, want al in de
jaren zeventig van de vorige eeuw werd de bekende
‘participatieladder’ontwikkeld, een overzicht van manieren om
burgers in de besluitvorming van de overheid te laten meedoen. Op
die ladder werden ze gerangschikt van heel laag (geen enkele
participatie) via middelmatig (meespreken, inspreken) tot heel hoog
(de burger beslist).
Intussen komen alle vormen van burgerparticipatie bij gemeenten
voor. Welke gemeente heeft er geen opiniepeiling of burgerpanel?
Een inspraakverordening is op grond van de Gemeentewet zelfs
verplicht. Alle gemeenten houden voorlichtings- en
informatiebijeenkomsten, meningspeilingen en inspraakbijeenkomsten.
Veel gemeenten hebben een referendumverordening. Ook veel gemeenten
laten burgers meebeslissen of zelfs beslissen over voorzieningen en
wijkbudgetten. Je zou zeggen: wat valt er nog te verbeteren?
Inspirerend boekje
Toch blijkt dat veel nieuwe colleges – ook in mijn gemeente – in
hun programma’s streven naar verbetering van de burgerparticipatie.
Is dit echt gemeend of gaat het om politiek correcte voornemens?
Hoe je het wendt of keert, het is een item.
Het boekje ‘Naar buiten’ geeft veel voorbeelden uit de praktijk en
een paar korte beschouwingen over het onderwerp. Ik ontdek er een
rode draad in, die zich richt op twee zaken. Ten eerste moet je er
als overheid echt in geloven, want met pseudoparticipatie, alleen
voor de vorm, val je snel door de mand. Ten tweede zijn
duidelijkheid, openheid en oprechtheid van de overheid
succesfactoren.
Volgens mij is een sterke kant van het boekje dat je als gemeente
wordt uitgedaagd om op je eigen, oorspronkelijke manier vorm te
geven aan burgerparticipatie. Er bestaan geen vaste recepten.
Burgerparticipatie is maatwerk.
Vertegenwoordigende democratie en burgerparticipatie
Verder nadenkend over dit onderwerp kom je al snel op de
klassieke vraag of burgerparticipatie, naast de vertegenwoordigende
democratie die we in gemeenten hebben, wel gewenst of zelfs
legitiem is. Raadsleden worden immers geacht in hun
volksvertegenwoordigende rol de opvattingen en belangen van burgers
te representeren. De afweging van die opvattingen en belangen tegen
elkaar en tegen het ‘algemeen belang’ (wat dit ook moge zijn)
gebeurt in de raad. Moet je daarnaast dan nog weer allerlei
activiteiten optuigen waarbij burgers hun opvattingen kunnen geven?
Bestuurskundigen, juristen en andere grote geesten verschillen
hierover van mening. Zeker als het om meebeslissen gaat – of
daadwerkelijk invloed uitoefenen, zoals via een referendum – zijn
er principiële tegenstanders en voorstanders.
De laatsten wijzen er impliciet op dat de vertegenwoordiging van
burgers via de politiek per definitie onvolmaakt is. Burgers moeten
dus gehoord worden en medezeggenschap hebben in de besluitvorming.
De tegenstanders betogen dat je met medezeggenschap de burgers een
schijn van invloed voorhoudt, terwijl je als bestuursorgaan
(grond)wettelijk toch zelf verantwoordelijk bent. Bovendien weet je
nooit of bij burgerparticipatie niet alleen maar het eigen,
persoonlijke belang behartigd wordt. Op dit laatste is overigens
niets tegen, maar je moet het dan wel als zodanig meewegen.
Het is maar de vraag of je zo principieel op dit vraagstuk moet
insteken, want alle besluiten van de overheid raken burgers direct
of indirect. Waarom zouden ze zich niet mogen bemoeien?
Bestuursorganen moeten op zijn minst goed luisteren. En vervolgens
hun besluit uitleggen.
Verwachtingen wekken leidt tot frustratie
Een punt ten nadele van burgerparticipatie is dat bij burgers en
instellingen verwachtingen worden gewekt waarvan het maar de vraag
is of die waargemaakt kunnen worden. Het boekje signaleert dit op
verschillende plekken. Dat kan leiden tot frustratie achteraf. Zo
van: zie je wel, ze doen alsof ze luisteren, maar uiteindelijk doen
ze toch wat ze zelf willen. Dit laatste klopt. Het college en de
raad hebben op basis van kiezersmandaat het laatste woord. Maar het
vertrouwen van burgers die inspraak deden maar hun zin niet kregen
– wat uiteraard iets anders is dan niet gehoord worden – wordt er
niet groter door.
Is de stelling zo vreemd dat de overheid zelf min of meer de
afstand tot de burgers veroorzaakt door het bieden van inspraak en
participatie? Je laat mensen meepraten, inspreken, hun mening
geven, hun belang behartigen, en vervolgens ben je verplicht om een
besluit te nemen. Per definitie zijn er mensen die hun zin niet
krijgen en zich steeds meer gaan afzetten tegen de politiek.
Theoretisch zou een oplossing kunnen zijn om geen participatie meer
te bieden, maar alleen voorlichting – éénrichting – en uitleg
achteraf. Dan kan de burger in ieder geval niet beweren dat de
overheid haar woord niet houdt. Ik vrees alleen dat er velen zijn
die dit niet meer in deze tijd vinden passen. Ze hebben
waarschijnlijk gelijk. Maar wat dan?
Want je draait in een kringetje rond: de representatieve democratie
is onvolmaakt. Dus praten burgers mee. Ze hebben verwachtingen,
worden teleurgesteld en draaien de overheid hun rug toe. Je wordt
er niet vrolijk van. Politieke protestpartijen varen er wel bij.
Tenslotte signaleer ik in deze tijd een tendens naar een
veranderende grondhouding van burgers tegenover de overheid. Deze
houdt zoveel in als: wie denkt de overheid wel dat zij is? Veel
mensen hebben grote ego’s. Zij zijn steeds minder bereid om te
accepteren wat de overheid beslist. Maatregelen worden niet gepikt
en zoveel mogelijk ontdoken. Mensen zijn immers mans genoeg om zelf
hun zaken te regelen. Ik denk dan: laten ze zich verkiesbaar
stellen en zelf een beetje macht accepteren. Maar dat doen ze
meestal niet. Ze hebben tenslotte wel andere dingen aan hun hoofd.
Dit is een ernstige ontwikkeling, anarchie in feite, waar ik zo een
twee drie ook geen antwoord op heb, maar die we wel serieus moeten
nemen. Intussen laten we in de samenleving een grote bron van
kennis en inzicht ongebruikt liggen.
De grens van burgerparticipatie
Over burgerparticipatie valt veel te zeggen, zoals het boekje
’Naar buiten’ ook doet. Maar er valt méér over te zeggen. Ik vrees
dat we de grenzen van burgerparticipatie hebben bereikt, of zelfs
al overschreden. Er zal iets moeten veranderen. Burgerparticipatie
in de zin van meepraten en meebeslissen moet óf serieus zijn, dat
wil zeggen: meer echte macht voor de individuele burger, hoe je die
ook organiseren moet, óf je moet ermee ophouden, omdat de burger
het ziet als een doorzichtige marketingtruc voor het verkopen van
het overheidsbeleid.
Mijn conclusie is dat er een andere kijk op burgerparticipatie
ontwikkeld zal moeten worden. Misschien zijn we zelfs toe aan
nieuwe, nog onontdekte vormen van representatieve democratie die
beter passen bij de mondige mens van nu. Wellicht durft iemand het
aan om dit probleem onder ogen te zien en er verstandige woorden
over op papier te zetten.
De geschiedenis kent grote denkers die in hun tijd verstandige
dingen hebben gezegd over hoe de samenleving bestuurd zou moeten
worden. Plato met zijn aristocratische Politeia (De Staat), waarin
de bovenlaag van de samenleving de macht heeft. Augustinus met zijn
omvangrijke Civitate Dei, waarin de godsstaat wordt ontwikkeld. En
natuurlijk de meer eigentijdse Harvey Cox die, met een knipoog naar
Augustinus, The secular City schreef over de kerk als sociale actor
in de samenleving.
Staat de nieuwe filosoof binnenkort op?
Intussen vind ik de representatieve democratie, hoe onvolmaakt ook,
zo beroerd nog niet.
Krijn van der Heijden is griffier van de gemeente Zutphen