Column: Kaderstellen is meer dan kopiëren van een modelverordening
Het uitbrengen van een landelijke modelverordening ten behoeve van bepaalde gemeentelijke taken staat op gespannen voet met de gemeentelijke autonomie. Terughoudendheid is gewenst. Gemeenteraden zijn best in staat om zelf de hoofdlijnen van het beleid te bepalen.
Op zichzelf is het lovenswaardig dat de VNG zich inspant om gemeenten te faciliteren bij het opstellen van verordeningen. Maar als het om autonoom gemeentelijk beleid gaat zou zij terughoudend moeten zijn.
Autonomie en medebewind
Zoals iedereen weet hebben gemeenten verschillende typen
wettelijke taken. Verreweg de meeste daarvan worden in zogenoemd
medebewind uitgevoerd. Dat wil zeggen dat de gemeente een bepaalde
rol heeft in het uitvoeren van landelijke wetgeving. Vaak moet de
raad daarvoor een verordening vaststellen, zoals de
WMO-verordening, de bouwverordening, de verordening werk en
bijstand enzovoort. De VNG levert daarvoor een groot aantal
modelverordeningen aan, die door massa’s gemeenten – met excuus
voor de term – klakkeloos worden overgenomen. Van kaderstelling
door de raad in de echte zin van het woord kun je op die manier
nauwelijks spreken.
Subsidierecht
Destijds maakte ik deel uit van de werkgroep die een publicatie van de VNG over het nieuwe subsidierecht voorbereidde. De VNG constateerde, met de werkgroep, dat er in Nederland een zodanige veelkleurigheid van gemeentelijk subsidiebeleid is, dat daar geen centrale modelverordening bij past. Elke gemeente heeft haar eigen subsidieaanpak, subsidiecultuur en subsidienormen. Er verscheen dan ook een boekje mét handreikingen voor toepassing van de subsidietitel uit de Awb, maar zónder modelverordening. Ik was het daar volledig mee eens. De regeling van dit autonome gemeentelijke beleidsveld moet je niet centraal proberen te regisseren, maar aan de gemeenten overlaten.
Kennelijk is de VNG sinds 1998 hier anders over gaan denken.
Kaderstelling door de raad
De wetgever stelt – behoudens een paar uitzonderingen – een
wettelijk voorschrift (een verordening dus) verplicht voor de
verstrekking van subsidies. Dat wil zeggen dat de raad de grote
lijnen van het subsidiebeleid bepaalt. Subsidies spelen in
gemeenten een belangrijke rol. Verenigingen en instellingen weten
de raadsfracties feilloos te vinden als het gaat over hun subsidie.
Raadsdebatten over dit onderwerp zijn altijd levendig en trekken
veel publiek. Het is een uitgelezen mogelijkheid voor de raad om
zich naar het verenigingsleven te profileren.
Daarom is het van groot belang dat de raad zelf zijn subsidiekaders
stelt. Het college mag dit voorbereiden en de verordening later ook
uitvoeren, maar het is de raad die bij verordening aangeeft hoe met
subsidies wordt omgegaan.
De kern van mijn bezwaar komt het meest tot uiting in de passage in het boekje (pagina 35) waar wordt uitgelegd dat er een Rijksbreed subsidiekader is vastgesteld, dat verplicht is voor alle subsidies van de Rijksdienst.
Aansluitend wordt opgemerkt dat “Elementen uit het Rijksbrede subsidiekader in aangepaste vorm kunnen worden toegepast op het gemeentelijk subsidieproces en de gemeentelijke organisatie.” Dergelijke woorden, afkomstig uit Den Haag, klinken centraal-dirigistisch en zetten bij een rechtgeaarde decentrale overheidsdienaar als ik de stekels overeind. Geen centrale uniformiteit, maar juist differentiatie van het beleid is kenmerkend voor de verschillende opvattingen in gemeenten. Met welk recht eigent men zich enige zeggenschap over het gemeentelijke autonome subsidiebeleid toe? Gelukkig hebben gemeenten de vrijheid om een modelverordening niet over te nemen.
Onzorgvuldigheden
Daar komt nog bij dat in de modelverordening enkele storende
juridische onzorgvuldigheden staan. Zo zijn de artikelen 3 lid 1 en
4 lid 5 in strijd met de Awb. En dat geldt in iets mindere mate ook
voor artikelen 11 lid 3 en 14 lid 1. Wie zin heeft moet daar maar
eens induiken.
Dit is echter niet de belangrijkste reden dat ik collega’s adviseer
om de modelverordening niet zonder meer door de raad over te laten
nemen. De raad moet een subsidieverordening vaststellen die past
bij de plaatselijke cultuur en mores. Kaderstelling, zeker bij dit
onderwerp, is meer dan het kopiëren van een modelverordening. Het
opstellen van een algemene subsidieverordening kan een prima
gelegenheid zijn om met z’n allen eens goed na te denken over de
meest gewenste inhoud en procedures van het subsidiebeleid in de
eigen gemeente.
Krijn van der Heijden,
Raadsgriffier Zutphen